Kennis van kwaliteit in bodem en archeologie

Opdrachtgevers van archeologisch onderzoek

Archeologisch onderzoek

Een publieke of private initiatiefnemer, die opdracht geeft tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek of archeologische opgravingen, loopt tegen de volgende vragen aan:

• Welk bureau kan ik inschakelen voor archeologisch onderzoek?
• Welke eisen kan ik stellen?
• Hoe vraag en beoordeel ik offertes?
• Hoe draag ik zorg voor het bewaken van de kosten?
• Op welke wijze controleer ik de uitvoering en toets ik de eindrapportage?
• Wat is mijn verantwoordelijkheid bij conservering van archeologische vondsten en opslag in depots?

De antwoorden op deze vragen zijn te vinden onder archeologisch vooronderzoek.

Keuze opdrachtnemer: certificering
Voor de opdrachtgever is het van belang om te weten dat de meeste archeologische onderzoeken uitgevoerd dienen te worden door een uitvoerder die hiervoor een certificaat heeft op basis van de BRL SIKB 4000. Zie voor meer informatie over certificering deze pagina.

Het overzicht van gecertificeerde archeologische uitvoerders vindt u hier.

Eigendom en deponering van archeologische vondsten
Artikel 5.7 van de Erfgoedwet stelt dat een archeologische vondst die is aangetroffen bij een opgraving en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, eigendom is van a) de provincie waar de vondst is aangetroffen; b) de gemeente waar de vondst is aangetroffen, indien die gemeente beschikt over een aangewezen depot als bedoeld in artikel 5.8, tweede lid; of c) de Staat, indien de vondst is aangetroffen buiten het grondgebied van enige gemeente (in de praktijk zijn dat de territoriale wateren).


Een flesje uit de Romeinse tijd gevonden bij een archeologische opgraving

Artikelen 5.8 en 5.9 betreffen de instandhouding van depots en de opslag van archeologische vondsten. Gedeputeerde Staten van de provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het in stand houden van een depot, of het aanwijzen van een depot in een gemeente. In de dagelijkse praktijk betekent dit dat elke provincie een eigen depot heeft, alsook sommige gemeenten. De desbetreffende provincie of gemeente wordt depothouder genoemd, de contactpersoon van het betreffende depot is de depotbeheerder.

ARCHIS
Bepaalde gegevens moeten worden opgeslagen in het centraal ARCHeologisch InformatieSysteem (ARCHIS) dat de Minister van OCW (in de praktijk de RCE) in stand houdt. Dit is een systeem voor het registreren en raadplegen van gegevens over archeologische onderzoeken, vondsten en archeologische rijksmonumenten vanaf de Prehistorie tot en met de Nieuwe Tijd in Nederland. Archeologisch uitvoerders voeren hier hun onderzoeks- en vondstmeldingen in, alsook komen hier uiteindelijk de rapporten van archeologische onderzoeken terecht. Alleen een hiertoe geregistreerde organisatie (zoals een archeologische uitvoerder) of iemand met een door de -RCE verstrekte code heeft toegang tot ARCHIS.

Nadeelcompensatie
Voorheen was het in sommige gevallen mogelijk om een beroep te doen op compensatie voor planschade, ook inzake archeologie. Het begrip planschade uit de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro) staat echter niet in de Omgevingswet. De planschaderegeling is nu onderdeel van de regeling nadeelcompensatie. Tussen de planschaderegeling en de regeling nadeelcompensatie bestaan wel belangrijke verschillen. De regeling nadeelcompensatie uit de Omgevingswet is een aanvulling op de regels in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het toekennen van nadeelcompensatie is een uitzondering op een hoofdregel. De hoofdregel is dat schade als gevolg van rechtmatig overheidshandelen in beginsel tot het normale maatschappelijke of het normale bedrijfsrisico hoort. Degene die de schade lijdt, moet die daarom dragen. Als de schade het normale maatschappelijke of bedrijfsrisico te boven gaat, komt die in aanmerking voor vergoeding. Op de schade is het zogenoemde beginsel van gelijkheid voor de publieke lasten van toepassing (Artikel 4:126 lid 1 Awb, égalitébeginsel). Volgens dat beginsel komt alleen schade voor vergoeding in aanmerking die uitgaat boven het normale maatschappelijke of normale bedrijfsrisico (‘abnormale last’) en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft (‘speciale last’). Aan beide voorwaarden moet worden voldaan.

Abnormale last
Het vereiste van de abnormale last houdt in dat alleen de schade die buiten het normale maatschappelijke of normale bedrijfsrisico valt, voor vergoeding in aanmerking komt. Dit
betekent dat wanneer degene die vanwege het verrichten van activiteiten schade of hinder aan de fysieke leefomgeving veroorzaakt, wordt geconfronteerd met kosten of schade als gevolg van (aangescherpte) verplichtingen (op grond van de vergunning of regelgeving), deze schade of kosten in beginsel binnen het normale maatschappelijke of normale bedrijfsrisico vallen. Als voorbeeld kan
worden gedacht aan het aanscherpen van vergunningvoorschriften vanwege de best beschikbare technieken of voorschriften die met het oog op de bescherming van archeologische of monumentalewaarden aan een omgevingsvergunning worden verbonden. De kosten of schade die het gevolg zijn van het moeten voldoen aan de vergunningvoorschriften of verscherpte regelgeving, maar niet boven
het normale maatschappelijke of normale bedrijfsrisico uitstijgen, komen vanwege het vereiste van de ‘abnormale last’ in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking.

Bij kosten of schade als gevolg van verplichtingen vanwege archeologische monumenten vloeit dit ook voort uit het beginsel uit het verdrag van Valletta dat ‘de verstoorder betaalt’. Dit beginsel houdt in dat de initiatiefnemer van een activiteit die een archeologisch monument dreigt te verstoren, in beginsel de kosten van maatregelen voor behoud in situ van het archeologisch monument draagt. Of, dat diegene, waar dat niet mogelijk is, de kosten van het archeologisch onderzoek, met inbegrip van documentatie, conservering van archeologische vondsten en rapportage draagt.

Speciale last
Het vereiste van de speciale last houdt in dat sprake moet zijn van een last die op een beperkte groep burgers of bedrijven onevenredig zwaar drukt ten opzichte van een vergelijkbare groep (de referentiegroep). Over het algemeen bestaat een referentiegroep dus ook uit een beperkte groep. Bij archeologische monumenten bestaat de referentiegroep niet uit alle eigenaren, maar alleen uit eigenaren van een bepaald archeologisch (rijks)monument met dezelfde bescherming. Dit betekent dat de situatie van een eigenaar van een archeologisch rijksmonument wordt vergeleken met de situatie van andere eigenaren van een vergelijkbaar archeologisch rijksmonument. Alleen wanneer een specifieke groep of benadeelde zich ten opzichte van de referentiegroep zou onderscheiden waarvoor de last onevenredig hoog is, komt deze (specifieke groep van) benadeelde(n) voor nadeelcompensatie in aanmerking op grond van het égalitébeginsel.

Zie voor meer informatie over nadeelcompensatie de hiervoor ontwikkelde handreiking van het Informatiepunt Leefomgeving.